Written by: PRETTIGER LEREN EN WERKEN

location-detail

PARTICIPATIE-ATELIERS

6 tips voor samenwerken met inwoners

Vier projecten van Health Hub Utrecht (HHU-)organisaties hebben in een reeks van drie participatieateliers praktische ondersteuning gekregen. De rode draad was: hoe zoek je als organisatie de samenwerking met inwoners? Anna Kersten, docent Public Health bij het Julius Centrum van het UMC Utrecht, Janna Bruijning, hoofddocent aan de Hogeschool Utrecht, en Ellen Gerrits, hoogleraar Logopediewetenschap en lector in Utrecht, delen de tips waar ze het meest aan hebben gehad.

Janna Bruijning

Anna Kersten

Ellen Gerrits

Anna en Janna: Hoe betrekken we inwoners?

Janna en Anna hebben van Health Hub Utrecht de opdracht gekregen om samen met andere collega’s en partijen een ‘regiobeeld’ te maken: een overzicht van de belangrijkste gegevens over zorgvraag, zorgaanbod, gezondheid en leefstijl, bevolkingsontwikkeling, sociale en fysieke omgeving in de regio. “Met het oog op ‘de juiste zorg op de juiste plek’”, legt Anna uit. “En om een overzicht te hebben van zorg en welzijn in de regio, nu en in de toekomst.” De cijfers die ze verzamelen voor het regiobeeld, willen ze aanvullen met verhalen van professionals en inwoners. Anna is projectleider van het hele project én zit met Janna in de werkgroep die aan de slag gaat met de verhalen. Samen nemen ze deel aan het participatie-atelier. Met als centrale vraag ‘hoe betrekken we de inwoners?’. Het participatieatelier gaf hen de kans daar goed over na te denken. Omdat ze daar de kennis en de handvatten voor kregen.

Tip 1: Ken de participatierollen

Inwoners kunnen op verschillende manieren participeren. Van advies geven tot een project samen uitvoeren. Janna en Anna willen verhalen van inwoners ophalen. “Expliciet nadenken over de participatierollen die er zijn, helpt je te bepalen wat je precies verwacht van inwoners”, zegt Janna. In het participatieatelier kregen Anna en Janna bovendien inspirerende voorbeelden van hóe ze de verhalen van inwoners naar boven kunnen halen. “Onze opdracht was inwoners vragen voor te leggen als: Herkennen jullie deze gegevens uit het regiobeeld? Heb je daar verhalen bij? En missen jullie wat? Maar tijdens het participatieatelier werd klip en klaar dat het niet zo zinvol is om de gegevens van een wijk te delen met een individuele inwoner. Je kunt een individuele inwoner wél vragen naar zijn eigen ervaring met gezondheid en leefomgeving. Wij willen hun verhalen, dan kun je alleen naar iemands eigen belevingswereld vragen. Dat gaan we nu dus doen.”

Tip 2: Maak abstracte onderwerpen concreet

Hoe vraag je een inwoner naar zijn belevingswereld? Door het onderwerp zo concreet mogelijk te maken, en dus herkenbaar. Janna en Anna willen bijvoorbeeld weten wat inwoners merken van de vergrijzing in hun regio. Wat zijn voor hen de gevolgen? “We hebben het abstracte begrip ‘vergrijzing’ uiteengerafeld in onderwerpen als mobiliteit, mantelzorg, wonen, activiteiten. Daar kun je met inwoners goed over praten.”

Tip 3: Kijk welke structuren en groepen er al zijn

Een belangrijke vraag van de deelnemers aan het participatieatelier was: hoe vinden we inwoners om mee samen te werken in een project? Anna en Janna moeten de gesprekken met de inwoners nog voeren, maar hebben nu beter zicht op de mogelijkheden. Bijvoorbeeld dat het slim is om bestaande structuren te gebruiken. Anna: “In de gemeente Stichtse Vecht hebben ze jongerenadviseurs. Dat zijn jongeren die gevraagd en ongevraagd advies geven over wat de gemeente doet. Wij gaan nu vragen of die jongeren ook over ons regiobeeld willen meedenken.” Heel concreet en direct te gebruiken was het advies om contact op te nemen met de groep Critical Friends “Heel nuttig, want dat zijn mensen die een training hebben gevolgd bij PGOsupport, over hoe zij hun ervaringsdeskundigheid breder kunnen inzetten. Ze hadden ook ervaring met duidingsgesprekken in de rol van inwoners. We zijn nu met 2 critical friends in contact.”

Ellen: Wat vinden de ouders belangrijk

Als lector bij de hogeschool is Ellen bij verschillende projecten betrokken, onder andere van Health Hub Utrecht. Daar zit ze in Dynamics of Youth , de 1001 eerste dagen in het leven van een kind. Participatie heeft al langer haar belangstelling. Het project COMPLETE bijvoorbeeld draait om de samenwerking tussen logopedisten en ouders met kinderen met taalproblemen in de logopediebehandeling. “De behandelmethodieken van een logopedist zijn vaak kindgericht. Ze werken spelenderwijs met het kind aan de taalvaardigheid. Van de ouders hebben we echter geleerd dat ze meer in gesprek willen met de logopedist, over de thuissituatie, hun zorgen en wat ze zelf kunnen doen voor hun kind. Door de samenwerking met ouders weten we nu veel beter hoe we therapie meer familiegericht kunnen maken.” Participatie betekent in COMPLETE ook dat ouders input en feedback op het onderzoek geven, bijvoorbeeld over de inhoud van de interviews. “Eén ouder heeft zelfs samen met een onderzoeker een presentatie gegeven op het logopediecongres.” Participatie is dus meer dan wat vragen stellen aan betrokken ouders, weet Ellen. “Onderzoekers kunnen veel meer naar de mensen toegaan. En dat maakt ons werk nog relevanter en leuker.”

Tip 4: Als je feedback vraagt, moet je er ook iets mee doen

Inwoners meer zeggenschap geven in een onderzoek is spannend. Je geeft het dan toch een beetje ‘uit handen’. Ellen: “Stel je voor dat ze jouw onderzoek helemaal niet interessant vinden! Maar in de praktijk is dat volgens mij nooit zo hoor. En als het wél zo zou zijn, is dat toch juist ook goed om te weten?” En als je input vraagt, moet je ook bereid zijn er iets mee te doen. Ellen heeft al meerdere keren ervaren dat de feedback van ouders een onderzoek enorm kan verrijken. “We hebben onderzocht hoe kinderen met een taalontwikkelingsstoornis het in het regulier onderwijs doen. Ouders vroegen ons toen of we ook wilden meten hoe gelukkig hun kind op school is. De ouders waren dus vooral benieuwd naar het welbevinden van hun kind. Daar hadden wij toen nog niet aan gedacht. We hebben het toegevoegd.”

Tip 5: Zorg dat de samenwerking gelijkwaardig is

Voor participatie is ook de praktische organisatie belangrijk. Wil je een bijeenkomst organiseren? Vraag inwoners – of ouders in Ellens onderzoek – dan welk moment van de dag het beste uitkomt. En kun je inwoners een vergoeding geven voor hun inzet? “Het atelier dat hierover ging, vond ik heel interessant”, zegt Ellen. “Die organisatie heeft alles te maken met gelijkwaardigheid. Wij vragen van ouders om tijd vrij te maken voor participatie, het is vrijwilligerswerk. Terwijl de onderzoekers het gewoon onder werktijd doen.” Naast gelijkwaardigheid is inclusie heel belangrijk. Ellen: “Niet iedereen is even goed in het spreken en begrijpen van taal. Terwijl onderzoek juist supertalig is. Dan excludeer je groepen. Zeker in de logopedie mis je dan een groot deel van je doelgroep. Wij proberen daarom juist ook die groepen te betrekken. Dat vraagt creativiteit, maar het lukt meestal wel.”

Tip 6: Deel je kennis en ervaring met anderen

Door ervaring en kennis te delen kom je altijd verder. “De uitwisseling tussen de deelnemers aan het participatieatelier was heel fijn”, zegt Anna. “Door hardop met elkaar na te denken, krijg je scherper welke afwegingen je moet maken. En je doet allerlei ideeën op. Die je niet altijd direct kunt gebruiken, maar misschien wel in een volgend project.” “Door de gesprekken met elkaar krijg je meer inzicht, waardoor je tot andere keuzes komt”, vult Janna aan. Ellen hoopt op een vervolg op het participatieatelier, gericht op netwerkvorming. “Een soort kennisronde over participatie, op reguliere basis. Dat zou ik echt geweldig vinden. Een gelegenheid waar mensen elkaar kunnen blijven ontmoeten en inspireren.”

Last modified: 24 november 2021